Na Mijn broer heet Jessica, dat ik niet zo sterk vond, is dit verhaal over hetzelfde thema een verademing: steengoed geschreven en zonder oordeel, eerlijk en ontroerend. Het waargebeurde verhaal van Vicky, die in het boek Evy heet. Een gruwelijk verhaal van pesterijen, zelfmoordgedachten en ouders die de identiteit van hun eigen zoon/dochter (nog) niet erkennen.
Een boek dat ik 20 jaar geleden voor het eerst las. En afgelopen week voor de tweede keer. Het heeft beide keren diepe indruk op me gemaakt. 20 jaar geleden omdat het verhaal me leerde dat ontmoetingen in het leven ertoe doen, dat iedere persoon die je ontmoet belangrijk voor je kan zijn. Nu ben ik 20 jaar verder. Ik heb veel meer mensen ontmoet, veel (werk)ervaring opgedaan, rustiger geworden. Maar nog steeds ben ik nieuwsgierig naar anderen, naar hoe wij met elkaar verbonden zijn, altijd wel via via een gemeenschappelijke kennis hebben.
Jij, jij en jij is een verhaal over drie mensen die in elkaars leven schuiven. Weergaloos goed geschreven. Young adult bestond 20 jaar geleden ook al. En Nilsson schreef nog meer parels voor jongeren die lekker lezen, boeiende personages hebben én je aan het denken zetten.
Jij, jij en jij is een verhaal over toeval en bestemming. Over liefde, opvoeding en ouderschap. Over gelukkig worden, zijn of blijven.
“‘Mag je gelukkig zijn? In deze wereld, in deze tijd? Met al het slechte dat er is, alle dreiging en onrechtvaardigheid. Alle strijd die gevoerd zou moeten worden. Mag je dan gelukkig zijn?’”
Selma Noort ken ik van haar vorige boek Koningskind, dat veel indruk op mij maakte omdat het een bijbelverhaal tot leven brengt: het is gebaseerd op het Salomonsoordeel. Haar nieuwe boek Het kleine huis bij de rivier is alledaagser van opzet: een ontroerend en lief verhaal dat in onze tijd speelt over twee kinderen, die elkaars neef en nicht zijn en op een bijzondere plek wonen met veel familie om zich heen.
Op een nieuwe school beginnen is altijd moeilijk. Je kent de kinderen in de klas nog niet, net als je nieuwe meester of juf, het gebouw voelt onwennig en je moet bedenken hoe je je zult gedragen, die eerste dag. Thomas Tucker lijkt daar allemaal geen last van te hebben. Taco, zijn nieuwe klasgenoot, kijkt vol ontzag naar Thomas als hij op het dak van de school zijn intrede doet.
“Toch, en dat wist ze zeker, zou ze nooit iets anders doen dan haar nieuwsgierigheid volgen. En eens zou het haar ergens anders brengen, die nieuwsgierigheid. Ergens waar anderen niet zouden kunnen komen.”
Deze raadselachtige zin vat voor mij samen waar het in Films die nergens draaien, het nieuwste boek van Yorick Goldewijk (bekend van Billy Extra Plankgas), om gaat: nieuwsgierigheid. Hoofdpersoon Cato verloor bij haar geboorte haar moeder en sindsdien is haar vader een saaie, nietszeggende persoon geworden. Ze hebben nauwelijks contact en hij haalde Cornelia het huis binnen, de bemoeizieke buurvrouw die het leven van Cato nog ellendiger maakt.
De wereld van Dee is klein en veilig. Ze kent iedereen in de flat waar ze woont, haar twee beste vrienden wonen dichtbij. Ze kent de slager, de postbode, de oudste bewoner. Maar ze weet eigenlijk heel weinig over zichzelf en de wereld die ze kan zien vanaf de hoogste verdieping.
“Is het erger om gewoon altijd alleen te zijn en je niets anders te herinneren? Of is het erger dat er ooit iemand was die van je hield en dat je die dan kwijtraakt?”
Lexi (9 jaar), de hoofdpersoon in het nieuwste boek van Griet op de Beeck, is een dapper, maar ook tragisch personage. Een kind dat in een situatie is gekomen die pedagogisch niet helemaal verantwoord is. Haar moeder wordt opgenomen in een kliniek omdat ze niet met de rouw om kan gaan die haar overviel nadat het tweelingbroertje van Lexi, Amos, is overleden. De vader van Lexi kan de zorg voor zijn dochter niet alleen aan en brengt haar voor onbepaalde tijd naar zijn zus, tante Arizona.
Een boterham met tevredenheid, levertraan, tbc, telegrammen, muziek uit een pick-up en bellen in een telefooncel. Veel dingen die heel gewoon waren voor kinderen in de jaren ‘50 kennen we nu niet meer. Door het heerlijke nieuwe boek van Jacques Vriens ben je eventjes in een heel andere tijd: de tijd van vlak na de Tweede Wereldoorlog.
Dyslectische mensen zijn creatief, vindingrijk, kunnen goed improviseren en hebben een sterke intuïtie. Zomaar wat bijzondere eigenschappen die je niet direct associeert met een kind in de klas die de ene na de andere spelfout maakt. Toch is het goed om dat kind nog eens goed te observeren: hij of zij voelt zich onzeker en anders dan de andere kinderen omdat hij niet kan wat iedereen lijkt te kunnen: foutloos lezen en schrijven. Met de intelligentie van een kind met dyslexie is echter niks mis. Hij of zij verwerkt informatie alleen op een andere manier in het brein.
Een boek dat de dood ademt zonder dat het te zwaar wordt. Een troostrijk boek voor kinderen die rouwen om een dierbare. In het boek wordt door de 11-jarige hoofdpersoon die in de zomer bij haar opa en oma logeert nadat haar vader is overleden, meermaals de ingewikkelde vraag gesteld: waarom gaat iedereen om me heen dood? De dood is altijd aanwezig in het leven: een bruinvis die aanspoelt, een kat die dode kittens ter wereld brengt. Het is verdrietig, maar je moet ermee leren omgaan. Dit boek helpt daarbij en het is prachtig geschreven. Rustig, langzaam, met zinnen die je nog een keer wilt lezen.