Hoe is het om in deze tijd te leven? Je staat er niet vaak bij stil, maar het is een leuke en wezenlijke vraag. Wat kenmerkt onze tijd? Wat hebben we nu, wat er vroeger niet was? En hoe gaan we daarmee om? In Het vreemde verhaal van Violetta Viraal gaat Claudia Jong aan de haal met deze vraag. Ze voert een meisje ten tonele die helemaal ‘van nu’ is. Ze vraagt zich af hoe het is om in een andere tijd te leven. En ze krijgt de kans om dat te ontdekken…
Voor de maand van de filosofie in april 2026 scheef Edward van de Vendel dit jaar het themaboek, passend bij het thema ‘Ken onszelve’. Deze traditie loopt nu al sinds 2019, en ik ben er enthousiast over, want de afgelopen jaren werden ook al eerder erg sterke boeken uitgebracht door o.a. Bibi Dumon Tak (De eik was hier) en Marco Kunst (Vuile handen).
Mariska Overman denderde de wereld van de jeugdliteratuur binnen met twee boeken die enorm veel indruk maakten: De zomer die alles was en Duizend stukjes overal. Haar unieke vertelstem werd direct herkend door het lezende publiek, en ze won dan ook een Zilveren Griffel voor haar debuut De zomer die alles was. Nu is dan haar derde boek verschenen: Wolfke. Een verhaal dat net even anders is dan haar vorige, voor iets jongere lezers, maar met dezelfde magie op elke pagina. Ik heb genoten van dit gelaagde verhaal, dat ontzettend goed in elkaar zit.
Ik heb niet vaak dat ik, als ik een boek uitlees, direct opnieuw begin. Bij dit boek, Vijftig seconden, deed ik dat wel. Omdat ik nog geen afscheid wilde nemen én omdat het verhaal voelde als een eindeloze loop: een stroom gebeurtenissen waar een bepaalde herhaling in zit en die stuk voor stuk veel indruk maken. Maar misschien ook omdat ik de puzzelstukjes die ik tegenkwam tijdens het lezen nog eens wilde neerleggen, zodat ik alles helderder zou zien.
Mats Strandberg is een Zweedse schrijver die mij wist te verrassen met het bijzondere boek Pestbloemen. Een duister en intrigerend verhaal. Daarom was ik erg nieuwsgierig naar zijn nieuwste boek: Het einde.
Coverillustratie Mark Janssen, vertaling Pauline Michgelsen
Klein wonder gaat over de twee kinderen Tick (10) en Leaf (5 jaar), die bij hun grootvader opgroeien. Ze zijn geen broers en ze weten niet precies waar ze vandaan komen. Maar ze hebben een veilige, warme plek in het land Ellia samen met hun sterke paard Kiezel. Grootvader is al een tijdje geleden overleden en nu moeten ze zich alleen zien te redden. Het verhaal begint als Tick in de verte op zee de schepen ziet van het volk van De Drenen, hun vijanden. Grootvader heeft altijd gezegd: als de Drenen komen, moet je vluchten. En dan ziet Tick ook nog een Jager, een levensgevaarlijke rover die voor de Drenen uit gaat om alvast zoveel mogelijk mensen uit de weg te ruimen.
Wat volgt is een tocht waarin twee jonge kinderen moeten vluchten voor hun leven, naar de Koningsburcht, een plek waar de Drenen niet kunnen komen. Tick verzamelde eigenlijk geheel toevallig waardevolle informatie waardoor hij en Leaf kunnen overleven. Tick is een slim en oplettend jongetje, die op het juiste moment het goede doet, en over het lot beslist van zijn geliefde land.
‘Wonderbaar,’ zei hij. ‘Op z’n gelukkigst ben je in het leven toch als je even compleet vergeet dat je bestaat.’
Dit zegt Björn tegen Alec, de twee jongens die we al leerden kennen in het vorige boek van Stefan Raatgever: De jongen die van de klif sprongen zacht terecht kwam. In het nieuwste boek van Raatgever gaat het verhaal van Alec en Björn verder. Het is fijn als je dat eerste boek al hebt gelezen, maar ook zonder de voorgeschiedenis kun je het goed volgen.
‘Mag ik eerlijk zijn?’ vraag ik. ‘Ik vind hoe wij eruitzien… hoe zal ik het zeggen… een beetje saai.”
We moesten er een tijdje op wachten, maar daar is het dan, het nieuwste prentenboek van Mark Janssen: Wonder. Dit boek weerspiegelt wat mij betreft de wijze waarop Mark Janssen de wereld tegemoet treedt: met verwondering, nieuwsgierigheid en liefde voor het mooie vak van kunstenaar. Misschien is Wonder wel zijn persoonlijkste boek ooit.
“‘Ik zal je mijn verhaal vertellen. Je gelooft het niet, dat zei ik al. Maar áls je het gelooft, dan beloof ik je: daarna kun je alles aan.’”
Dit boek is een bizarre trip. Je wordt heen en weer geslingerd tussen met open mond lezen en zo snel mogelijk de bladzijden om willen slaan. En je denkt de hele tijd: wat gebeurt hier? Niemand lijk je te kunnen vertrouwen in dit verhaal over een verdwenen vader, kartonnen gevels en zwijgzame familieleden. Er wordt meer niet gezegd dan wél. En daar moet je het dan maar mee doen.