Droom jij er ook weleens van om in tijdmachine te stappen? Harry uit het boek Een mummie heeft mijn huiswerk opgegeten niet, hij zit liever op school moeilijke sommen te maken. Harry is een echte nerd, hij houdt van uitdaging en van schoolwerk. Toch overkwam Harry het ongelooflijke: terwijl hij een wiskunde-opgave aan het uitrekenen was, werd het zwart om hem heen, kwam hij in een draaikolk terecht en raakte hij bewusteloos!
En waar kwam Harry terecht? In het oude Egypte, de tijd waarin er geen mobieltjes waren, geen fijne vervoersmiddelen, maar wel vreemde schoolvakken en gevaarlijke huisdieren zoals krokodillen. Harry weet niet wat hem overkomt. Al gauw krijgt hij vrienden waarmee hij spannende avonturen beleeft. Tijd om aan thuis te denken heeft hij namelijk niet. Hij beleeft een heel schooljaar in Egypte, met zelfs een levensgevaarlijk schoolreisje.
Zijn vrienden helpen hem om toch te bedenken hoe hij terug kan komen naar zijn eigen tijd. En of het hem lukt, daar moet je zelf maar achter komen.
Een mummie heeft mijn huiswerk opgegeten is een goed geschreven en vertaald boek voor iets meer geoefende lezers vanaf ongeveer 8 jaar. Er valt veel te lachen, op een leuke (niet flauwe) manier. De tekeningen en gekleurde tekst maken het tot een fijne leeservaring. Schrijver Thiago de Moraes werkt nu aan een deel 2.
Ik vind het erg leuk dat Luitingh-Sijthoff dit soort boeken uitbrengt: boeken die van hand tot hand gaan in de klas, net als Het leven van een loser en De waanzinnige boomhut, maar die ook een thema hebben waar je bijvoorbeeld bij geschiedenis bij kunt aansluiten. Bij LS verschijnen ook de boeken van Julius Zebra en Gekke goden, ook aanraders!
Ik ontving van Luitingh-Sijthoff een recensie-exemplaar.
“‘Mam,’ zei Nora. ‘Laat Loen lekker buitenspelen.’ (…) ‘Maar ze is…’ zei mijn moeder. Ik wist precies welk woord daar hoorde. Het had drie letters, begon met een g en eindigde op -ek. Een klap in mijn gezicht had nog minder pijn gedaan.”
Luna kennen we uit het vorige boek van Pieter Koolwijk, Gozert. Ook als je dat boek niet gelezen hebt, kun je dit verhaal gewoon volgen. Luna hoort stemmen in haar hoofd. Daarvoor is ze in behandeling en opgenomen in Huize Hoopvol, ofwel Huize Hopeloos zoals Luna het zelf noemt. Ties ontmoette ze ook in dat huis, net als Gozert, de denkbeeldige vriend die alleen Luna en Ties kunnen zien en horen.
“‘Gozert?’ Eva keek me grijnzend aan. ‘Hoe kom je daar nou weer op?’
‘Hoe kom je er weer af,’ riep Gozert lachend vanuit de schuur. ‘Dat is de betere vraag.’”
Luna is doodongelukkig in Huize Hoopvol. Het enige lichtpunt is het weekend, wanneer ze mag logeren bij Ties en zijn ouders. Totdat haar moeder daar verandering in brengt. Van de ene op de andere dag haalt ze Luna weg uit het tehuis. Haar moeder vindt Luna gek, ze weet zich geen raad met haar eigen dochter. Ze vertrouwt haar niet en dat beklemt Luna enorm.
Eenmaal aangekomen in het vakantiehuisje waar Luna met haar moeder een tijdje zal verblijven, krijgt ze bezoek van haar zussen en haar vader. De omgang met haar familie is moeizaam. Aan haar vader heeft ze een uitgesproken hekel. Met zussen Nora en Eva kan ze goed opschieten, maar ze is van hen vervreemd. Ze hoort niet meer echt bij het gezin, ze is buitenspel gezet.
“Kom op, Loen. Je kunt de stem horen van de overleden broer van Ties. Geef toe. Dat is ontzettend bizar.
Ik knikte. Natuurlijk was het bizar. Maar alles in mijn leven was bizar. Ik was zelf bizar. Alleen had ik dat inmiddels geaccepteerd. Waarom kon de rest dat dan niet?”
Luna gaat op onderzoek uit op het vakantiepark met Gozert. En ze ontmoeten een Mexicaanse familie die zich aan het voorbereiden is op Días de los Muertos – de dag van de doden. Ze raakt bevriend met de moeder en haar twee kinderen, die 1,5 jaar geleden hun man en vader verloren. Luna gebruikt haar gave om stemmen te horen nu op een hele bijzondere manier. En de band met haar moeder verandert ook…
Pieter Koolwijk is een unieke kinderboekenschrijver. Ik heb hem een beetje leren kennen tijdens een online schrijversbezoek bij onze pabo afgelopen maart, waarin hij openhartig vertelde over zijn drijfveren om zijn boeken te schrijven. Van wat hij vertelde vat ik het zo samen: Hij vindt het belangrijk om fantasie serieus te nemen. We worden allemaal veel te snel volwassen. En ‘anders zijn’ komt niet handig uit: zodra een kind een beetje druk is krijgt hij het etiket adhd en als hij stemmen hoort of een vriendje heeft dat niemand anders kan zien, moet hij daarvan genezen worden. Pieter Koolwijk wil boeken schrijven waarin de fantasie centraal staat: in een verhaal kun je verdwijnen. Er is zoveel vermaak in de vorm van games en schermpjes: hoe creatief soms ook, het haalt het niet bij een boek waarbij je je eigen beelden kunt vormen.
Het was een inspirerend bezoek. Ik heb van veel studenten gehoord dat ze een of meerdere boeken van Koolwijk zijn gaan lezen of hebben voorgelezen in de klas. Juist bij leerkrachten is de boodschap ‘zie het kind’ enorm belangrijk. En de oproep om meer te lezen is ook nogal urgent. We hebben meer leerkrachten nodig die lezen promoten en die boeken lezen waarin identiteit en inclusiviteit een belangrijk thema is.
Ik heb weer genoten van dit ‘vervolg’ op Gozert. Pieter Koolwijk heeft een vlotte pen, hij schrijft met veel humor en de dialogen zijn scherp en vaak ontroerend. En de vormgeving! De illustraties van Linde Faas zijn weer weergaloos mooi, maar ook de afwisseling in lettertype en -kleur leest erg prettig.
Een boek voor lezers vanaf ongeveer 10 jaar. Voorlezen kan denk ik al vanaf 9 jaar. Ik ben benieuwd hoe kinderen reageren op dit verhaal. Het roept vast veel reactie op. Te zien aan de overweldigende aandacht op Instagram voor dit boek, heeft Pieter Koolwijk met zijn oeuvre een gevoelige snaar geraakt, ook bij volwassen lezers. Ik hoop dat er nog veel meer van dit soort prachtige boeken zullen komen.
Meer weten? Kijk op www.lemniscaat.nl/boeken/luna/. Ik ontving van uitgeverij Lemniscaat een recensie-exemplaar, dank daarvoor!
Een waargebeurd verhaal, meesterlijk verteld door Corien Oranje. Het verhaal van Victor, die door een verschrikkelijk ongeluk zijn onderbeen verliest. Victor is een echte sporter en vooral in zwemmen is hij steengoed. Zou hij weer kunnen zwemmen na het ongeluk? Over doorzettingsvermogen, rouw, ouderschap en vriendschap. Wat een verhaal.
Mooi is het nieuws dat er een Kampioen 2.0 komt! Olivier (Victor in het boek) is inmiddels volwassen en vertelt wat er gebeurde na het jaar dat zijn leven tekende. Het boek verschijnt in september!
Als je het niet bent, is het onmogelijk om je voor te stellen hoe het is om blind te zijn. Je ogen dichtdoen is niet genoeg. Blinde mensen hebben veel gevoeligere andere zintuigen en ‘zien’ soms zelfs kleuren als ze dichtbij iets of iemand zijn.
Ronke heeft dat ook. Haar buddy Nouri, aangewezen tijdens een sterrenwachtkamp waar ze aan mee doet, is bijvoorbeeld knalgroen. En ‘Stardust’, de virtuele vriend van Nouri met wie hij chat in de game, is blauw. Ronke houdt wel van sterrenkunde, maar eigenlijk vooral van hardlopen, héél hard lopen. Maar ja, blind zijn en rennen is een lastige combinatie. Daarom rent Ronke ‘ter plaatse’: ze rent op een plek heel hard en beeldt zich in dat ze op het strand is, hoort zelfs de meeuwen boven zich en de wind door het helmgras wuiven. Zo levendig is haar fantasie.
En haar fantasie zorgt er ook voor dat ze samen met Nouri wegloopt van het kamp om stiekem ergens te gaan rennen ‘in het echt’, eerst aan de arm van Nouri, maar later los en vrij omdat ze op een startbaan van een militair vliegveld is.
Het verhaal bouwt enorm op in spanning. Het rustige begin is verraderlijk: opeens zitten we middenin een spannende scène waarin Ronke in haar eentje op de heide haar weg probeert te vinden op zoek naar… de opa van Nouri??? Hoe dat zo is gekomen moet je echt zelf gaan lezen.
“Ik racete zo hard ik kon. Het leek wel een wedstrijd tegen mezelf. Of liever: tegen mijn vroegere zelf.”
Dit is weer zo’n prachtig en meeslepend boek zoals we die van Jef Aerts (onder andere De blauwe vleugels) kennen. Zintuiglijke taal, prachtige zinnen en een enorme spanning gecombineerd met de moderne snufjes van nu: een sprekende telefoon, social media, games en chatten met mensen die zich anders voordoen. De schrijfstijl deed me ook wat denken aan de boeken van Anna Woltz.
“Als je rent, verzin je een verhaal. Iedere stap is een woord, ieder baantje een nieuwe zin. Ren een klein stukje de andere kant op en je hele verhaal verandert mee.”
Een aanrader voor kinderen die houden van spannende verhalen en tegelijkertijd iets willen leren over menselijke gevoelens en blind zijn.
En nu is er dus Offline, een toekomstverhaal waarin de strijd tussen mens en computer uitgevochten wordt. Weer een héél ander soort boek dan de voorgaande. Kunst heeft een heerlijke vertelstijl die vooral bij Het verlangen van de prins bejubeld is: hij werd zelfs vergeleken met Paul Biegel. Hij heeft een enorm creatief brein, dat kan niet anders, want zulke verschillende kinderboeken schrijven en er telkens in slagen je het verhaal te laten geloven, dat kan niet iedereen.
Offline gaat over Mike. Hij leeft in het jaar 2046. Niet eens zo heel ver voor ons, maar de wereld is niet te vergelijken met nu: mensen zijn altijd online en lopen continu met een VR-bril rond waardoor alles er mooier, aantrekkelijker en magischer uitziet. Mike houdt van deze wereld. Zijn vriendin Demer echter, leeft in Aardelaar: een gebied op aarde waar alles ‘bij het oude’ bleef: geen elektriciteit, geen drones of computers. Mike gaat met zijn ouders verhuizen naar het wonderlijke Nieuw Babylon: een hypermoderne zwevende stad met de nieuwste snufjes.
En het zal nog mooier worden: er staat de wereld namelijk een enorme update te wachten, een update die ervoor zorgt dat alles nóg soepeler loopt. Op een dag komt Mike meneer Groman tegen, een mysterieuze oude man die in Mike ‘de uitverkorene’ ziet, want die enorme update is volgens meneer Groman levensgevaarlijk: de computers zullen intelligenter worden dan de mensen en hen ‘uitschakelen’. Wat dat in de praktijk betekent, daar moet je natuurlijk niet aan denken.
Mike vertrouwt meneer Groman eerst niet, maar luistert toch naar zijn aanwijzingen: een verborgen lift, een code, een oranje knikker… Gaat hij de missie aan of durft hij niet? Gelukkig is daar de lieve pratende hond Dex, geprogrammeerd door mensen, die hem overal vergezelt. Mike staat een turbulente tijd te wachten. Is dit ook onze toekomst???
Offline leest als een trein en is zelfs voor jongere lezers (vanaf 8 jaar ongeveer) denk ik wel te volgen. Voor de liefhebbers van de Robotoorlog van Rian Visser zéker een aanrader. Maar ook om met je kind(eren) in gesprek te gaan over toekomst, kunstmatige intelligentie en de macht van computers.
De tekeningen van Yannick Pelegrin vind ik heel goed bij het verhaal passen: futuristisch, ietwat bevreemdend en overwegend in twee kleuren paars-rood en blauw.
“Veel volwassenen zijn vooral bezig met geld verdienen. Ze werken en proberen carrière te maken. Dingen maken, vervoeren, verkopen… Maar dát zijn precies de dingen die computers ondertussen veel beter kunnen dan mensen! En als ze niets willen maken, dan willen volwassenen de baas zijn, zo veel mogelijk macht hebben. Dat soort dingen. Als ik een computer was dan zou ik al die mensen ook behoorlijk overbodig vinden…”
“‘We zijn een troep,’ zei Arkady. ‘We hebben samen gevochten, we hebben samen gegeten. We zijn een team.’”
Het team, dat zijn Arkady, Samuel, Silk en Vita: een onwaarschijnlijk bij elkaar geraapt zooitje: twee circusartiesten, een zakkenroller en een meisje dat koste wat het kost de eer van haar opa wil redden.
Het nieuwe boek van Katherine Rundell, bekend van onder andere De ontdekkingsreiziger, gaat over echte vriendschap en talent. Met karakters en gebeurtenissen die knotsgek zijn, maar tegelijkertijd zó ontroerend dat je alles gelooft wat Rundell schrijft. Een verhaal dat ik verzonnen zou willen hebben. Een boek waarvan je ongeduldig de bladzijden omslaat omdat je móet weten hoe het verder gaat. Met vier vrienden die een band opbouwen voor het leven en elkaar nooit zullen laten vallen. Gesitueerd in het Manhattan van zo’n 100 jaar geleden, in een oud kasteel en in een circustent: zulke gave plekken dat je wilde dat je er zelf bij was.
Vita heeft zichzelf een onmogelijk doel gesteld. In het enorme oude kasteel van haar opa ligt een kostbare smaragd. Opa is opgelicht door een nare zakenman en nu is hij zijn huis kwijt; zijn kasteel waar hij met oma woonde die net is overleden. Opa kwijnt nu weg in een klein appartementje in New York. Als zijn kleindochter Vita met haar moeder vanuit Ierland naar Amerika komt is hij dolblij. Maar Vita ziet dat hij verdriet heeft: alles is hem afgenomen. Vita is vastbesloten om de smaragd, die ergens in het kasteel ligt, terug te halen, te verkopen en het huis terug te kopen.
Vita is een inspirerend meisje met een bijzonder talent. Al in het eerste hoofdstuk licht Rundell een tipje van de sluier op en word je razend nieuwsgierig:
“Vita’s rokzakken zaten vol kiezels van thuis uit de tuin, ze pakte er de grootste stenen uit en begon die naar de deur van de klerenkast te gooien. Het hielp haar nadenken. Als iemand had toegekeken, had die misschien gezien dat elke steen exact het wiskundige midden van de deur raakte, maar er was niemand die keek en Vita zelf had er nauwelijks erg in.”
Vita krijgt hulp uit onverwachte hoek. Ze maakt vrienden die allemaal een ander talent hebben. Samuel is de acrobaat die lijkt te kunnen vliegen, Samuel kan communiceren met elk dier en Silk kan vliegensvlug en onmerkbaar je zakken rollen. En Vita kan dus met enorme precisie elk willekeurig voorwerp naar een bepaald punt werpen.
Rundell schept er waarschijnlijk genoegen in om talenten te bedenken die gaan over fysieke behendigheid, maar ook over lichamelijke onmogelijkheden: Vita kampt met de gevolgen van polio en heeft één been dat niet goed volgroeid is. Ze bijt zich dagelijks door de pijn heen en laat zich niet tegenhouden. Het is een boodschap die kinderen vast ook uit de tekst kunnen halen: ga op zoek naar jouw talent, gebruik je lichaam én je verstand wijs en vertrouw op jezelf.
In Sophie op de daken (2013) gaat het over luchtdansen op de daken, een ‘sport’ die Rundell zelf ook beoefent. En in dit boek hebben de personages allemaal een handigheid die ervoor zorgt dat ze zich uit de moeilijkste situaties kunnen redden.
…Tenminste…Is dat ook zo? Hopelijk heb ik je nieuwsgierig genoeg gemaakt naar de afloop van het verhaal. Ik ga hier natuurlijk niet verklappen of het Vita lukt om haar opa weer gelukkig te maken. Maar dit boek zal je vanaf de eerste bladzijde grijpen en als je het uit hebt, zal je het niet meer vergeten.
Oh, en die schildpadden op de schutbladen? Die kom je zeker tegen in het verhaal op een onverwachte plek, wacht maar af!
Archeoloog worden… toen ik 10 jaar was heb ik daar ook over gefantaseerd. En hoeveel andere kinderen ook niet? Het spreekt tot de verbeelding: lekker de hele dag in de grond graven en mooie dingen vinden. Ik stond vaak vooraan bij een bouwput bij ons in de wijk en in onze binnenstad: zouden ze wat vinden?
Van archeoloog en schrijver Linda Dielemans leren we dat het beroep van archeoloog niet alleen maar graven in de grond is. Je moet heel veel van geschiedenis weten, maar ook van moderne technieken, bijvoorbeeld van radioactiviteit en fotogrammetrie (een 3D-beeld maken van heel veel foto’s). Linda Dielemans schreef eerder Brons, een heel boek over alleen dit metaal, maar ze schreef ook fictieve boeken, zoals Schaduw van de leeuw – over de prehistorie, die verschenen bij Leopold (kinderboeken.nl).
In dit nieuwe boek van Linda Dielemans, Onder de golven, dat verschijnt bij Fontaine uitgevers, vertelt ze het verhaal van Doggerland: het land onder de golven van waar nu de Noordzee is. Je kunt het je niet voorstellen, maar vroeger woonden er mensen waar nu zee is. Dielemans en illustrator Djenné Fila nemen ons mee vanaf 1 miljoen jaar geleden tot nu, naar het gebied tussen Nederland en Engeland. Dat doen ze door ‘laag voor laag’ de aarde ‘af te pellen’ en daarbij de wisseling van klimaat en weersomstandigheden te beschrijven. Tsunami’s, ijstijden, overstromingen en aardbevingen: het heeft allemaal invloed op wat er later voor menselijke en plantaardige resten in de grond worden gevonden.
Per tijdvak schreef Dielemans ook een verhaal vanuit ‘de bewoners’. Over de jacht, kiespijn of het bereiden van voedsel. Ontzettend knap hoe Dielemans zich kan inleven in iemand die niet in onze moderne tijd leeft. Niet veel schrijvers is dat gegeven, zij kan zich scharen achter Thea Beckman en Rob Ruggenberg, die ook weergaloos goede fictieve historische boeken schreven.
Djenné Fila heeft een stijl die heel fijn aansluit bij het verhaal van Dielemans: bijvoorbeeld door de verschillende ondergronden waar gras, zand en andere natuurlijke materialen voor gebruikt lijken te zijn. Fila heeft echt goed gekeken naar schedels, pijlpunten en vuistbijlen en die in beeld gebracht. En de sfeervolle beelden bij de verhalen zijn fantastisch, zo mooi. Door de vele tekeningen leest het heel prettig.
Het is best een pittig boek, maar voor kinderen die geïnteresseerd zijn in archeologie en geschiedenis heerlijk om in te duiken. Ik heb steeds stukjes gelezen en heb het niet van voor tot achter gelezen. Dat kan prima. De tekst leent zich heel goed voor mooie lessen close reading! Vooral de fictieve verhalen tussendoor zijn leuk om voor te lezen, ze zijn lekker spannend. En daarmee kun je heel mooi een geschiedenisles beginnen.
In het laatste hoofdstuk krijgen we tips om zelf op onderzoek uit te gaan: bijvoorbeeld op de stranden van Cadzand en Katwijk. Als stranden opgespoten worden kan er zo weer mooi nieuw materiaal tevoorschijn komen. Mijn handen gaan ervan kriebelen: wat zou het tof zijn om iets te vinden…!
Kortom: weer een bijzonder boek van een veelzijdige schrijver/archeoloog. En Djenné Fila heeft zich weer bewezen als een geweldige illustrator/kunstenaar. Dat ik fan ben van haar werk is wel duidelijk, denk ik! Dank, Fontaine uitgevers voor het recensie-exemplaar!
Wat een spannend en mysterieus boek weer van Lucy Strange. Ook haar vorige twee boeken (Het geheim van het Nachtegaalbos en Ons kasteel aan zee) heb ik verslonden. Strange heeft een schrijfstijl die intrigeert: je bevindt je na 2 bladzijden al direct in een andere tijd (in dit geval meer dan 120 jaar geleden) op een andere plaats (Engeland) en je voelt je daar heerlijk comfortabel, alsof je er zelf bij bent. Hoewel, comfortabel: het is een griezelige setting: een diep en donker meer, oude landhuizen zonder elektriciteit en stromend water en ijzige kou.
Aan het onderwerp Nederland in de Tweede Wereldoorlog wordt gelukkig genoeg aandacht besteed in het basisonderwijs. Onze kinderen krijgen nog steeds via de schoolboeken en via verhalen mee hoe het moet zijn geweest in de oorlog. Over Nederlands-Indië ten tijde van de Tweede Wereldoorlog is veel minder bekend, en al helemaal niet door de ogen van kinderen.
Ik las in één ruk het nieuwste boek van Erna Sassen uit: een rauw, hard en tegelijk ook ontroerend verhaal. In haar eerdere boeken slaagde ze er ook al in om ‘echte’ jongeren te portretteren en ook in dit verhaal komt een jongere tot leven. Het verhaal kwam enorm bij me binnen.
Joshua is een jongen van 15 jaar die afstroomt van de havo naar het vmbo. Hij heeft nog geen vrienden gemaakt in zijn nieuwe klas en heeft bovendien afscheid moeten nemen van zijn beste vriendin (Zivan) die naar Irak – haar geboorteland – is gegaan.
Met de introductie van Zivan wordt een ernstig thema aangesneden: uithuwelijking op jonge leeftijd en gebrek aan autonomie van meisjes. Hoewel Zivan nergens zelf aan het woord komt, gaat eigenlijk het hele boek over haar: hoe bijzonder de vriendschap tussen een jongen en een meisje kan zijn, heimwee en onzekerheid en de verontwaardiging over beslissingen die door je familie worden genomen. Zivan moet met haar neef trouwen. De vriendschap met Joshua is dan voorgoed voorbij.
Joshua zit keihard in de puberteit: alle emoties worden uitvergroot: hij kan zo van extreem boos naar extreem verdrietig schieten. Hij is erg op zichzelf, maar is ook zoekend naar contact. Én hij kan bizar goed tekenen – vooral portretten van Zivan – dat is zijn uitlaatklep.
In het boek speelt beeldende kunst een prominente rol. De keuze voor Martijn van der Linden als illustrator vind ik geweldig gekozen – Van der Linden is erg veelzijdig in zijn stijl: de tekeningen (veelal schetsen) spelen een grote rol in het verhaal, soms vertellen de tekeningen nog meer dan wat er al in de tekst staat. Door Joshua’s tekentalent komt hij ook in contact met twee jongens (Sergio en Dylan) uit zijn klas: eerst lijken het zijn vijanden, maar gaandeweg ontwikkelen ze een bijzondere vriendschap. Ze zijn enorm onder de indruk van wat Joshua maakt, ze willen zelfs een van zijn tekeningen op hun lichaam laten tatoeëren.
Er zijn een aantal scènes in het boek die ik bijzonder vond: situaties waarin Joshua worstelt met zijn verdriet en machteloosheid over het missen van zijn beste vriendin, maar ook de ontwikkeling van de vriendschap tussen de drie jongens vond ik mooi beschreven. De taal van Sassen is rauw en waarschijnlijk voor jongeren herkenbaar. Ik vind wel dat ze veel harde woorden gebruikt. Ik denk dat jongeren het misschien fijn vinden om hun ‘eigen taal’ te herkennen, maar misschien stoot het ook af. Maar ja, geen enkel boek is voor iedereen, smaken verschillen.
Dat gezegd hebbende denk ik dat dit boek jongeren (en volwassenen) aan het denken zet. Sassen pakt in haar boeken zware thema’s op. In Er is geen vorm waarin ik pas een relatie tussen een jongere en een docent, in Dit is geen dagboek de zelfmoord van een moeder en wat dat met een jongere doet.
Er is tot slot gelukkig ook veel te lachen in dit verhaal. Klungelige docenten op het vmbo die er niet in slagen orde te houden. Een klassenuitje naar het Rijksmuseum waarbij de drie jongens vooral bezig zijn met zoveel mogelijk naakt en seks te bekijken. Je ziet het zo voor je. Een rijk boek.