Het circus blijft tot de verbeelding spreken. Het is een wereld die heel veel kinderen niet van binnen kennen, maar waar ze wel erg nieuwsgierig naar zijn. De magie van de grote tent die opeens buiten een dorp of stad staat, de wagens en de lichtjes, en altijd trekken ze weer door na een tijdje – naar de volgende plek.
“‘Sinterklaas kapoentje, zingt hij zachtjes. ‘Gooi wat in mijn schoentje. Gooi dat raam maar open, de Sint die komt je slopen.’”
Dit Sinterklaasboek is niet voor watjes! Zo waarschuwt Pieter Koolwijk je aan het begin van zijn nieuwste boek: ‘Dit verhaal is niet voor iedereen. Alleen voor kinderen die denken dat ze weten hoe het met Sinterklaas zit.’ En daar zou ik aan willen toevoegen: en voor kinderen met stalen zenuwen!
Ik ben fan van het werk van Simon van der Geest sinds Dissus, de gewaagde vertaling van Odysseus naar het nu, met brutale jongens die de wereld willen veroveren. Daarna wilde ik alles van Van der Geest lezen, en het stelde nooit teleur. Zijn proza is altijd lekker scherp, met goede dialogen en levendige scènes.
Van der Geest kan ook erg goed poëzie schrijven. Hij publiceerde al in diverse bundels, waaronder Dichter. van Plint. Een aantal van die eerder gepubliceerde gedichten zijn nu opgenomen in ‘Plassen op schrikdraad’: een ode aan durven.
Lucy Strange, vertaling Aleid van Eekelen, illustraties Pam Smy
Liefhebbers van het werk van Lucy Strange zullen reikhalzend uitkijken naar een nieuw boek van haar. Na vele successen zoals De geest en het meisje en De zusjes uit het verzonken moeras zijn we wel weer toe aan een nieuw verhaal. En dat is er nu! Maar is het net zo goed als haar vorige boeken?
Het lijkt wel alsof het de laatste tijd alleen maar over politiek gaat. De Tweede Kamerverkiezingen komen eraan, het vorige kabinet is gevallen en veel mensen zijn ontevreden over de regering. Hopelijk wordt er op school en thuis ook regelmatig over politiek gepraat, want politiek is belangrijk, ook voor kinderen! Maar wat is politiek nou eigenlijk precies?
In het recent verschenen boek van Arwen Kleyngeld, bekend van onder andere Het te gekke geldboek, wordt dit onderwerp van alle kanten belicht. Op een begrijpelijke en tegelijk diepgravende wijze, waarbij de lezer serieus genomen wordt.
Loetje woont met zijn ouders dicht bij het strand. Hij gaat bijna elke dag met zijn vriend Kars op zoek naar mooie dingen die aangespoeld zijn. Zijn ‘jutsels’, zoals hij ze noemt, neemt hij mee naar huis. Het huis ligt vol met mooie spullen. Tenminste, dat vindt hij. Zijn vader vindt het vooral veel troep. Zijn ouders maken veel ruzie, ook over de troep. Als ze uit elkaar gaan, voelt Loetje zich schuldig. Ligt het aan hem?
Loetje wil niet meer jutten, en ook geen verhalen meer verzinnen bij alle spullen die hij vindt. Maar dan ontmoet hij Wiets, die ook een ‘verhalenvisser’ is. Van Wiets leert hij dat hij nooit hoeft te stoppen met fantaseren en verhalen bedenken.
Dit ontroerende en fijne verhaal doet denken aan de verhalen van Wouter Klootwijk: de kinderen spelen veel buiten, genieten van de natuur en van avonturen beleven. Maar er zit een diepere laag in het verhaal over echtscheiding die het meer gewicht geeft. Daardoor wordt het een serieuzer verhaal, maar het houdt ook een zekere luchtigheid. Het is een heerlijk boek om voor te lezen, dat kan al vanaf 7 à 8 jaar. Kinderen die dichtbij of wat verder weg te maken krijgen met ouders die gaan scheiden, kunnen steun ervaren als ze het verhaal lezen.
Illustrator Tineke Meirink kennen we van het schitterende boek Wij zijn even naar de verte. Daarin spelen de fantasiefiguren, gemaakt van gevonden dingen zoals stenen, schelpen, stukjes hout en plastic, de hoofdrol. Ook in dit boek maken Loetje en Wiets deze figuren, ze noemen ze strandschilderijen. Ze vertellen een verhaal, en helpen Loetje om te verwerken wat hij allemaal meemaakt.
Peter Pan kun je niet níet kennen. Het is een klassiek figuur in onze literatuur en inmiddels ook in de filmwereld. Peter Pan zal altijd een kind blijven, hij wordt nooit groot. Daarom woont hij in Nooitland, met zijn vrienden De verloren jongens, die ook gevlucht zijn uit de ‘echte wereld’. Nooitland is eigenlijk meestal rustig, behalve als Peter er is. Dan zijn de piraten op bloed uit, jagen de wilde dieren op de jongens en gebeurt er altijd wat.
Aan het begin van het verhaal luistert Peter Pan aan het raam van de slaapkamer – waar Wendy en haar twee broertjes slapen – naar de verhalen die hun moeder hen vertelt. In Nooitland zijn geen meisjes, Peter Pan wil Wendy er graag mee naartoe nemen. Hij leert haar en haar broertjes vliegen. Zij hebben het land al eerder in hun dromen gezien, het voelt al snel vertrouwd. Ze gaan een avontuur tegemoet dat ze nooit meer zullen vergeten.
Als je dit verhaal leest dat al in 1911 werd opgeschreven door J.M. Barrie (Schotland 1860-1937), voel je dat het voor vele kinderboekenschrijvers na hem een inspiratiebron moet zijn geweest. De oeverloze fantasie van kinderen en het ontbreken daaraan bij volwassenen is een thema dat in veel kinderboeken terugkomt.
Daarom vind ik het leuk om eindelijk deze klassieker eens gelezen te hebben. Wel in de eigentijdse en frisse vertaling van Esther Ottens, en met de weergaloze illustraties van Floor Rieder (daarover later meer). Ottens deed weinig echt ingrijpende aanpassingen, behalve dat de verhouding man-vrouw en de kijk op de oorspronkelijke bewoners van Noord-Amerika minder stereotiep werden neergezet.
Daardoor is het verhaal best wel pittig voor een kinderboek, tegenwoordig zouden we woorden als embonpoint (gezet, dikbuikig), perfide (verraderlijk) en verschansing (verdedigingswerk) niet tegenkomen in jeugdboeken. In deze vertaling zijn ze blijven staan en ik struikelde er wel over (en had echt nog nooit van embonpoint gehoord!). Achterin het boek staat wel een woordenlijst, maar er wordt niet naar verwezen in de tekst (een sterretje en verwijzing naar de paginanummers waar de lijst staat was genoeg geweest).
Verder zijn de aanwezigheid van de alwetende verteller, de vele uitdrukkingen (de schellen vallen van de ogen, de eeuwige jachtvelden, over de kling jagen) en soms ingewikkelde tijdsprongen complicerende factoren die het lezen niet vergemakkelijken. Daar staat dan wel weer tegenover dat het verhaal toch zo boeiend is dat je dóór wilt lezen: het is erg spannend en vaak ook gruwelijk.
De illustraties van Floor Rieder zijn echt adembenemend. De keuze voor slechts 4 kleuren (en af en toe roze en rood), zwart, wit, blauw en felgroen, is spot on. Meer heeft het niet nodig. Wat een toffe stijl heeft Rieder, stoer en tegelijk sprookjesachtig.
Ik ben blij dat ik het gelezen heb en hoop dat veel lezers het klassieke verhaal zullen oppakken. Ik denk dat het voor kinderen van minimaal 9 à 10 jaar geschikt is, en dan vooral ook voor kinderen die zich niet laten tegenhouden door de dikte van het boek en het best wel complexe taalgebruik. Het is zeker geschikt als voorleesboek, omdat je dan moeilijke woorden en tijdsprongen kunt uitleggen.
Ik zag op het tv-programma Binnenstebuiten een enthousiaste medewerker van Natuurmonumenten vertellen over haar liefde voor planten. Het is elke keer een verrassing welke planten er opkomen in een natuurgebied, zegt ze. “Een plant weet precies wat ze nodig heeft om goed te kunnen groeien, welke grond en mineralen het beste bij hem passen.”
Ik moest daaraan denken toen ik begon te lezen in Wondergrond, een schitterend vormgegeven non-fictieboek over bodem, grond en bodemleven. Het lijkt een simpel onderwerp, maar ik werd verrast door de deskundigheid die de auteurs, Sarah Garré en Heleen Deroo – beiden bodemwetenschappers, laten zien in het boek. Hun enthousiasme over het onderwerp, in de volle breedte, spat van de pagina’s, het is een feest om te lezen.
Conny Palmkvist is een Zweedse jeugdboekenauteur die in 2024 onverwacht hoge ogen gooide met het prachtige boek De trein van vier over twaalf. Het kwam binnen op de lijst van de Grote Vriendelijke 100 in 2024 als hoogste vertaalde nieuwe binnenkomer, op plek 47.
Nu is er een nieuw boek, eveneens met een prachtige cover door Jeska Verstegen: dat mag gezegd, Kluitman besteedt veel aandacht aan zijn literaire werken. Sowieso hebben ze goede schrijvers binnengehaald, Mariska Overman (De zomer die alles was) zit ook bij deze uitgever.
55 meter onder water bouwt voort op de structuur en opbouw die Palmkvist in zijn vorige boek ook gebruikte. Een kwetsbaar, dromerig jongetje, Bengt Gustav, zit vast in zijn thuissituatie: vader is alcoholist, zijn vrouw is bij hem weggegaan en liet haar zoon bij hem achter. Bengt Gustav is enorm loyaal naar zijn vader en vergeeft hem keer op keer als hij weer teveel heeft gedronken. Volwassenen om hem heen maken zich zorgen, maar grijpen niet in.
Dan ontdekt Bengt Gustav een oud vervallen pand waar hij terug kan in de tijd. Hij wil het verleden veranderen zodat zijn vader geen alcoholist zal worden. Zal dat hem lukken?
Het is wederom een bijzonder goed geschreven (en vertaald) verhaal dat je met een brok in de keel achterlaat. Toch stoorde het me dat de schrijver weer hetzelfde trucje uithaalt: de hoofdpersoon wil het verleden veranderen zodat het in het nu anders zal gaan. In De trein van vier over twaalf om te voorkomen dat zijn moeder zal overlijden. Ook al is het mooi gedaan, ik vind het jammer dat hij niet een origineler invalshoek kon kiezen.
Qua thematiek (verslaving, ouderschap) en emoties (loyaliteit, eenzaamheid) een fijn en herkenbaar boek dat ik graag zou aanraden om voor te lezen vanaf groep 7, zelf lezen kan al vanaf 9 jaar.
“…en hij veranderde twee heren in hele grote bruine beren en hij veranderde twee vrouwen in hele mooie witte pauwen.”
Herken je uit welk gedicht dit komt? Het is Het toverstokje van Annie M.G. Schmidt en gaat over Hansje Pansje Pingeling, die met zijn toverstokje alle grote mensen veranderde in dieren. Behalve dan de meester, die veranderde hij in een mokkataart. En hoe dat afliep laat zich raden…