Toen ik nog als docent werkte op de pabo organiseerden we elk jaar een themadag rond rouw & verdriet. Een erg belangrijk onderwerp voor aanstaande leerkrachten, want ze gaan sowieso te maken krijgen met klein of groot verdriet in hun baan in het onderwijs. Ziekte, verlies, de dood; het hoort bij het leven. Ook als je er nog niet direct mee te maken hebt gehad, is het goed om er als leerkracht over na te denken, er over te praten. Juíst op ‘gewone’ dagen, zodat kinderen ervaren dat het geen eng onderwerp is waar je het niet over mag hebben.
“‘Wat er ook gebeurt’, zei ze, één ding kan niet veranderen. Zelfs in vodden en lompen kan ik nog steeds een prinses zijn, ben ik dat ook. Het is geen kunst om een prinses te zijn als je gekleed bent in gouden gewaden, het is een veel grotere prestatie om er een te zijn als niemand het aan je ziet.”
Frances Hodgson Burnett kennen de meesten van haar beroemde boek De geheime tuin, het lievelingsboek van Tonke Dragt. Sinds ik de hertaling van Imme Dros las is het ook een van mijn favorieten. Het verhaal uit 1911 gaat over hypochondrie en is typisch een verhaal uit die tijd, maar heeft toch ook nog zeggingskracht in onze tijd.
Bij Leopold verschenen achtereenvolgens De geheime tuin, De kleine lord en onlangs De kleine prinses in een mooie uitgave met een leeslint en goud op snee. De kleine prinses verscheen zelfs al eerder dan De geheime tuin, in 1905. Ik las het boek tijdens de kerstdagen en vond het betoverend mooi, ondanks dat het al zo oud is.
De kleine prinses gaat over Sara, die met haar vader in India woont. Hij besluit echter dat zij een goede opleiding moet hebben en stuurt Sara naar een kostschool in Engeland. Sara’s vader is erg rijk en het ontbreekt haar aan niks. Ze draagt de mooiste kleding, krijgt overdadige cadeaus en accessoires. Daardoor voelt Sara zich een prinses. Maar niet alleen van buiten lijkt ze dat, ook van binnen is ze ‘koninklijk’: vriendelijk, lief, vrijgevig en altijd bezorgd om anderen.
Op een dag slaat het noodlot toe: haar vader – die weer in India is – komt te overlijden. Hun fortuin gaat tegelijk in rook op. Van het ene op het andere moment is Sara straatarm. De directrice van de kostschool, mevrouw Minchin, heeft een ontzettende hekel aan Sara, maar dat probeert ze te verbergen: ze prijst haar juist de hemel in. Totdat haar geld weg is, dan begint ze haar het leven zuur te maken. Sara wordt het sloofje van Minchin, ze krijgt nauwelijks te eten en moet van ‘s ochtends vroeg tot ‘s avonds laat hard werken. Geen mooie kleren meer, geen satijnen lakens en mooi speelgoed, wel een koude tochtige zolder waar ze op een plank moet slapen tussen de ratten.
Maar een prinses houdt altijd haar waardigheid, en zo weet Sara met behulp van haar fantasie en verbeeldingskracht te overleven met hulp van haar vriendinnen en bijzondere buren. Het verhaal komt tot een verrassend einde waarin alles bij elkaar komt.
Het meest opvallend aan de verhalen van Burnett is de rol van de verbeelding en het vermogen van het kind om zich steeds weer aan te passen aan veranderende omstandigheden. Het leven was rond 1905 heel wat minder comfortabel en kinderen durfden nog niet zo vaak in te gaan tegen volwassenen. Sara was een voorbeeld in die tijd, met haar goede gedrag maar ook met haar durf om zichzelf te blijven, ondanks alles. Geld en aanzien was in die tijd ook heel belangrijk, en betekende het verschil tussen gerespecteerd worden en veracht worden.
De schrijfstijl is door de frisse vertaling van Imme Dros vlot en gemakkelijk te volgen, maar behoudt de sfeer van toen. Er staat prachtige bloemrijke zinnen tussen, die je meenemen naar een andere tijd. Ook het gebruik van de alwetende verteller doet wat gedateerd aan, maar past hier prachtig in het verhaal. Als lezer weet je meer dan de personages, en dat is precies de bedoeling van de schrijfster.
Ik raad de boeken van Burnett nog steeds aan aan een jong publiek (9+). Het is prettig leesbaar, geeft een beeld van een andere tijd en leert ons dat het niet uitmaakt of je rijk of arm bent, iedereen kan zich een prins(es) voelen.
Tim Gladdines heeft op mij veel indruk gemaakt met zijn vorige boeken, die ik allemaal gelezen heb, zoals Koning Valentijn, Vissenkind en Geert op het oosten. Zijn schrijfstijl is dicht op de huid, fel realistisch en absurdistisch. Nu is bij Uitgeverij Lemniscaat zijn laatste boek verschenen: Doe mij maar dicht. Het boek komt binnen als een mokerslag. Houd je vast, ik vertel je waarom.
Lucy Strange, vertaling Aleid van Eekelen, illustraties Pam Smy
Liefhebbers van het werk van Lucy Strange zullen reikhalzend uitkijken naar een nieuw boek van haar. Na vele successen zoals De geest en het meisje en De zusjes uit het verzonken moeras zijn we wel weer toe aan een nieuw verhaal. En dat is er nu! Maar is het net zo goed als haar vorige boeken?
Als je de boeken van Kate DiCamillo kent, weet je dat haar stijl onmiskenbaar is. Ze schrijft over gewone kinderen die buitengewone dingen meemaken, maar ook over poppen die tot leven komen. Dat doet ze met een enorme portie humor en veel beeldende taal, doorspekt met veel uitdagende woorden. Haar liefde voor taal en de binnenwereld van het kind is overduidelijk. Wat mij betreft is Ferris, het laatste boek dat nu in het Nederlands is verschenen bij Querido, een staalkaart van haar kunnen.
Een debuut bij Querido! Een bijzonder prentenboek van de hand van muzikant en creatief maker Gerson Main: hij stond in 2015 in de finale van het tv-programma De beste singer-songwriter van Nederland en treedt nu op als liedjesschrijver, theatermaker en dichter. Hij trad op in verschillende verpleeghuizen om voor ouderen muziek te maken. Wellicht heeft hij daar de inspiratie opgedaan voor zijn eerste prentenboek: Alle dingen die mijn opa stiekem is, over een jongen die een bijzondere band heeft met zijn opa.
Tula werd in 2010 uitgeroepen tot nationale held van Curaçao. Hij was de aanvoerder van de Curaçaose slavenopstand van 17 augustus 1795. Dit boek, geschreven door Robin Raven, is een eerbetoon aan hem, geschreven voor kinderen.
Welke keuzes maak jij? Ben je bereid te veranderen om de aarde te sparen? In onze huidige samenleving zijn deze vragen relevanter dan ooit. Maar ook superingewikkeld. Want mensen houden van gewoontes, tradities, van generatie op generatie. Elke dag vlees op je bord, op vliegvakantie, veel kleding kopen: het zijn maar een paar voorbeelden van dingen die niet leuk zijn om op in te leveren. Maar als we het niet doen, gaat het steeds slechter met onze wereld. We weten het wel, maar ‘de anderen’ moeten het dan maar doen, het is ‘zo moeilijk’ om te veranderen.
Het nieuwste boek van Marloes Morshuis gaat ook over gedragsverandering. Het speelt in de (hopelijk) verre toekomst waarin onze tijd tot een einde is gekomen en een nieuwe tijd is aangebroken: de tijd waarin ieder mens een digitaal alter ego heeft, een dialego. Je dialego is je perfecte ik, die leeft volgens perfecte regels die de aarde niet schaden.
Oké, ik zeg het maar gewoon eerlijk: ik vond dit verhaal doodeng. En dat is allemaal de verdienste van schrijver Tom Rijpert die ook al met zijn vorige boeken bewees je ademloos geboeid te houden. Zeg niet dat ik je niet gewaarschuwd heb!
We hebben er lang op moeten wachten. Acht jaar nadat Lampje van Annet Schaap uitkwam is het er dan! Een nieuw boek in de wereld van Lampje, maar het is geen vervolgverhaal, het staat volledig op zichzelf. Krekel heet het. Net zo’n lekkere korte en frisse titel, maar ook geheimzinnig. Waarom heet het boek zo? Wie of wat is die Krekel?