Brenda Froyen en ik zijn collega’s – we werken allebei op een pabo als taaldocent – alleen woont zij in België en ik in Nederland. Brenda schreef al meerdere boeken voor volwassenen, maar afgelopen juni verscheen haar kinderboek Een jaar met WiFi.
Een boek met 25 korte verhalen over het gezin van Brenda, gebaseerd op echte gebeurtenissen. De drie broers wilden een hond en hun ouders vonden het goed. En toen kwam WiFi in hun leven. WiFi komt uit Nederland, maar woont nu in België en hij begrijpt dus geen ‘Belgisch’. Op een grappige manier wordt er aandacht besteed aan de verschillen tussen Nederland en België, en aan alle avonturen die je beleeft als een jonge pup bij je in huis komt wonen.
Heerlijk geschreven vanuit het perspectief van Zen, die zo heet omdat zijn ouders na twee zoons wel wat rust wilden. Maar Zen is niet zo rustig, “‘we hadden je beter Storm genoemd,’ zei papa soms.” Geschikt vanaf 8 jaar.
De tekeningen van Marloes de Vries zijn trouwens fantastisch. Precies de goede sfeer, passend bij de verhalen.
Geïllustreerd door Ingrid & Dieter Schubert, vertaald door Linda Bertens
Ik kende dit boek nog niet, maar het komt direct in mijn top 10 van bijzondere boeken over dood en rouw. Wat een fijne sfeer, heldere taal en schitterende illustraties. Aanrader.
‘Schrijf het op,’ zeggen ze. ‘Dit mag niet vergeten worden.’
Een zin die alles zegt over dit boek, dit bijzondere verhaal. Over vier jongeren, die elkaar toevallig ontmoeten, maar alles voor elkaar betekenen in die vreselijke oorlog, die begonnen is door de volwassenen: de kinderen hebben er niet voor gekozen om te moeten schuilen in de tunnels van de metro, elke dag in angst te leven.
“‘Mam,’ zei Nora. ‘Laat Loen lekker buitenspelen.’ (…) ‘Maar ze is…’ zei mijn moeder. Ik wist precies welk woord daar hoorde. Het had drie letters, begon met een g en eindigde op -ek. Een klap in mijn gezicht had nog minder pijn gedaan.”
Luna kennen we uit het vorige boek van Pieter Koolwijk, Gozert. Ook als je dat boek niet gelezen hebt, kun je dit verhaal gewoon volgen. Luna hoort stemmen in haar hoofd. Daarvoor is ze in behandeling en opgenomen in Huize Hoopvol, ofwel Huize Hopeloos zoals Luna het zelf noemt. Ties ontmoette ze ook in dat huis, net als Gozert, de denkbeeldige vriend die alleen Luna en Ties kunnen zien en horen.
“‘Gozert?’ Eva keek me grijnzend aan. ‘Hoe kom je daar nou weer op?’
‘Hoe kom je er weer af,’ riep Gozert lachend vanuit de schuur. ‘Dat is de betere vraag.’”
Luna is doodongelukkig in Huize Hoopvol. Het enige lichtpunt is het weekend, wanneer ze mag logeren bij Ties en zijn ouders. Totdat haar moeder daar verandering in brengt. Van de ene op de andere dag haalt ze Luna weg uit het tehuis. Haar moeder vindt Luna gek, ze weet zich geen raad met haar eigen dochter. Ze vertrouwt haar niet en dat beklemt Luna enorm.
Eenmaal aangekomen in het vakantiehuisje waar Luna met haar moeder een tijdje zal verblijven, krijgt ze bezoek van haar zussen en haar vader. De omgang met haar familie is moeizaam. Aan haar vader heeft ze een uitgesproken hekel. Met zussen Nora en Eva kan ze goed opschieten, maar ze is van hen vervreemd. Ze hoort niet meer echt bij het gezin, ze is buitenspel gezet.
“Kom op, Loen. Je kunt de stem horen van de overleden broer van Ties. Geef toe. Dat is ontzettend bizar.
Ik knikte. Natuurlijk was het bizar. Maar alles in mijn leven was bizar. Ik was zelf bizar. Alleen had ik dat inmiddels geaccepteerd. Waarom kon de rest dat dan niet?”
Luna gaat op onderzoek uit op het vakantiepark met Gozert. En ze ontmoeten een Mexicaanse familie die zich aan het voorbereiden is op Días de los Muertos – de dag van de doden. Ze raakt bevriend met de moeder en haar twee kinderen, die 1,5 jaar geleden hun man en vader verloren. Luna gebruikt haar gave om stemmen te horen nu op een hele bijzondere manier. En de band met haar moeder verandert ook…
Pieter Koolwijk is een unieke kinderboekenschrijver. Ik heb hem een beetje leren kennen tijdens een online schrijversbezoek bij onze pabo afgelopen maart, waarin hij openhartig vertelde over zijn drijfveren om zijn boeken te schrijven. Van wat hij vertelde vat ik het zo samen: Hij vindt het belangrijk om fantasie serieus te nemen. We worden allemaal veel te snel volwassen. En ‘anders zijn’ komt niet handig uit: zodra een kind een beetje druk is krijgt hij het etiket adhd en als hij stemmen hoort of een vriendje heeft dat niemand anders kan zien, moet hij daarvan genezen worden. Pieter Koolwijk wil boeken schrijven waarin de fantasie centraal staat: in een verhaal kun je verdwijnen. Er is zoveel vermaak in de vorm van games en schermpjes: hoe creatief soms ook, het haalt het niet bij een boek waarbij je je eigen beelden kunt vormen.
Het was een inspirerend bezoek. Ik heb van veel studenten gehoord dat ze een of meerdere boeken van Koolwijk zijn gaan lezen of hebben voorgelezen in de klas. Juist bij leerkrachten is de boodschap ‘zie het kind’ enorm belangrijk. En de oproep om meer te lezen is ook nogal urgent. We hebben meer leerkrachten nodig die lezen promoten en die boeken lezen waarin identiteit en inclusiviteit een belangrijk thema is.
Ik heb weer genoten van dit ‘vervolg’ op Gozert. Pieter Koolwijk heeft een vlotte pen, hij schrijft met veel humor en de dialogen zijn scherp en vaak ontroerend. En de vormgeving! De illustraties van Linde Faas zijn weer weergaloos mooi, maar ook de afwisseling in lettertype en -kleur leest erg prettig.
Een boek voor lezers vanaf ongeveer 10 jaar. Voorlezen kan denk ik al vanaf 9 jaar. Ik ben benieuwd hoe kinderen reageren op dit verhaal. Het roept vast veel reactie op. Te zien aan de overweldigende aandacht op Instagram voor dit boek, heeft Pieter Koolwijk met zijn oeuvre een gevoelige snaar geraakt, ook bij volwassen lezers. Ik hoop dat er nog veel meer van dit soort prachtige boeken zullen komen.
Meer weten? Kijk op www.lemniscaat.nl/boeken/luna/. Ik ontving van uitgeverij Lemniscaat een recensie-exemplaar, dank daarvoor!
Als je het niet bent, is het onmogelijk om je voor te stellen hoe het is om blind te zijn. Je ogen dichtdoen is niet genoeg. Blinde mensen hebben veel gevoeligere andere zintuigen en ‘zien’ soms zelfs kleuren als ze dichtbij iets of iemand zijn.
Ronke heeft dat ook. Haar buddy Nouri, aangewezen tijdens een sterrenwachtkamp waar ze aan mee doet, is bijvoorbeeld knalgroen. En ‘Stardust’, de virtuele vriend van Nouri met wie hij chat in de game, is blauw. Ronke houdt wel van sterrenkunde, maar eigenlijk vooral van hardlopen, héél hard lopen. Maar ja, blind zijn en rennen is een lastige combinatie. Daarom rent Ronke ‘ter plaatse’: ze rent op een plek heel hard en beeldt zich in dat ze op het strand is, hoort zelfs de meeuwen boven zich en de wind door het helmgras wuiven. Zo levendig is haar fantasie.
En haar fantasie zorgt er ook voor dat ze samen met Nouri wegloopt van het kamp om stiekem ergens te gaan rennen ‘in het echt’, eerst aan de arm van Nouri, maar later los en vrij omdat ze op een startbaan van een militair vliegveld is.
Het verhaal bouwt enorm op in spanning. Het rustige begin is verraderlijk: opeens zitten we middenin een spannende scène waarin Ronke in haar eentje op de heide haar weg probeert te vinden op zoek naar… de opa van Nouri??? Hoe dat zo is gekomen moet je echt zelf gaan lezen.
“Ik racete zo hard ik kon. Het leek wel een wedstrijd tegen mezelf. Of liever: tegen mijn vroegere zelf.”
Dit is weer zo’n prachtig en meeslepend boek zoals we die van Jef Aerts (onder andere De blauwe vleugels) kennen. Zintuiglijke taal, prachtige zinnen en een enorme spanning gecombineerd met de moderne snufjes van nu: een sprekende telefoon, social media, games en chatten met mensen die zich anders voordoen. De schrijfstijl deed me ook wat denken aan de boeken van Anna Woltz.
“Als je rent, verzin je een verhaal. Iedere stap is een woord, ieder baantje een nieuwe zin. Ren een klein stukje de andere kant op en je hele verhaal verandert mee.”
Een aanrader voor kinderen die houden van spannende verhalen en tegelijkertijd iets willen leren over menselijke gevoelens en blind zijn.
Wat een spannend en mysterieus boek weer van Lucy Strange. Ook haar vorige twee boeken (Het geheim van het Nachtegaalbos en Ons kasteel aan zee) heb ik verslonden. Strange heeft een schrijfstijl die intrigeert: je bevindt je na 2 bladzijden al direct in een andere tijd (in dit geval meer dan 120 jaar geleden) op een andere plaats (Engeland) en je voelt je daar heerlijk comfortabel, alsof je er zelf bij bent. Hoewel, comfortabel: het is een griezelige setting: een diep en donker meer, oude landhuizen zonder elektriciteit en stromend water en ijzige kou.
Iris woont in Brighton, een winderig stadje onder Londen, bekend van de pier en het brede strand. Het huis waar ze met haar ouders en haar drukke tweelingbroer en -zus woont staat heel erg op de wind en haar kamer is vochtig en zit vol met schimmel. Daarom gaat Iris tijdelijk bij haar oma, Mimi, wonen, die gelukkig dichtbij woont.
Mimi is een geweldige oma, zo’n oma die je wenst: ze doet gekke dingen, is lief en knuffelig. Maar er is één ding dat ingewikkeld is: het huis van Mimi staat vol met dozen en troep én haar oma is wel erg vaak in de war. Iris kan het niks schelen, ze geniet van de gesprekken met haar oma, samen koken, het zwemmen in de zee (ook in de herfst en winter). Iris is erg op zichzelf, heeft geen vrienden maar vindt dat ook niet zo erg. Totdat ze haar buurjongen Mason ontmoet. Hij wil graag vrienden worden, maar Iris ziet dat niet zo zitten. Desondanks trekken ze veel met elkaar op.
Dan ontrafelt zich het verhaal. Mason en Iris ontdekken steeds meer over de geschiedenis van oma. Mimi vertelde dat ze een nichtje had, Coral, die is verdronken op 2-jarige leeftijd bij een ramp op zee. Mimi doet steeds meer rare dingen: ze lijkt niet alleen in de war, maar vergeet af en toe ook wie Iris is. Iris vertelt het niet aan haar ouders, want ze wil bij oma blijven wonen. In plaats daarvan schrijft ze alles op wat haar oma moet onthouden, bijvoorbeeld:
⁃ In de keuken gebruik je geen paraplu
⁃ Ga niet op sloffen naar de zee
⁃ Je kleindochter heet Iris: als ze haar schooluniform aan heeft moet ze die dag naar school
⁃ Katten houden niet van cornflakes
⁃ In een cake moeten eieren, anders wordt het droog
De lijstjes die Iris maakt, geven houvast in het verhaal. Het is tragisch, maar tegelijk ook grappig dat oma zoveel vergeet. Als haar ouders het op een gegeven moment ook ontdekken, laten ze haar onderzoeken. En dan wordt Iris’ angst bewaarheid: oma is dement. Gelukkig komen we op het eind van het boek nog iets belangrijks te weten over Coral.
Ik vind het een mooi en ‘klein’ boek over een belangrijk maatschappelijk thema: dementie. Veel kinderen krijgen ermee te maken. Het kan erg verwarrend zijn. Waarom weet mijn opa of oma mijn naam niet meer, of denken ze dat ik mijn moeder ben? De Engelse titel – Talking to the Moon – vind ik ook erg goed bij het boek passen. Oma praat namelijk met de maan “omdat die er altijd is”.
Het is niet een heel gemakkelijk boek. Ondanks dat het wel soepel leest is het geschikt voor 10+. Er zitten toch veel elementen in waarvoor je iets van ‘de wereld’ moet weten. Als je met jongere kinderen in gesprek wil gaan over dementie, raad ik Josephina een naam als een piano aan. Dit boek is al geschikt vanaf groep 2.
Ik kreeg het boek van Lemniscaat als recensie-exemplaar. Meer weten of een inkijkfragment lezen? Kijk op https://www.lemniscaat.nl/boeken/het-verloren-meisje/ Hier staan ook prachtige lessuggesties om met het boek aan de slag te gaan in de klas.
Stel je een minihuisje op wielen voor waar de vlammen uit het dak slaan, volgepropt met 2 broers en een zus die ruzie maken, een kok, een bewaker, een stiefmoeder, een vervelend broertje en een heleboel dieren; terwijl het, omringd door een kudde op hol geslagen koeien met een noodgang een brandend bos uit wordt gereden door een pick-up truck. Zie je het voor je??
Dit is het slotstuk van het hilarische en enorm spannende nieuwe boek van Keir Graff (bekend van De spooktoren en Het luciferkasteel), dat zich afspeelt in de bossen van Californië, waar helaas ook in het echt soms enorme bosbranden ontstaan.
Hoe komen al die mensen in dat kleine huisje, vraag je je af. Tja, het is een maffe samenloop van omstandigheden die begint op de dag dat de vader van hoofdpersoon Dagmar te horen krijgt dat de kopers van zijn eigenhandig gebouwde Tiny House de aankoop terugtrekken. Ze besluiten er met hun samengestelde gezin (met stiefmoeder en halfbroertje) zelf in te gaan wonen (oké, ze zijn ook failliet dus een andere keuze is er niet).
Daar is Dagmar niet blij mee! Ze moet afscheid nemen van haar oude leventje en van haar vrienden; ze zetten hun Tiny House op een verlaten stuk bos waar niets te beleven is.
…denkt Dagmar. Totdat ze op onderzoek uit gaat en een vreemd huis ontdekt en een nog vreemdere jongen, Blake. Bij gebrek aan andere afleiding zoekt ze contact met hem en ontdekt de familiegeheimen van zijn steenrijke ouders, oom en tante. Geld maakt niet gelukkig: dat kunnen we wel leren van dit verhaal – sterker nog: je kunt er knallende ruzie over krijgen.
Ik ben fan van deze schrijver na het lezen van dit boek en ben dan ook benieuwd naar zijn andere boeken. Het leest als een trein en zit vol woordgrappen (hulde aan vertaler Annemarie de Vries). Ik denk dat lezers vanaf een jaar of 10 hiervan zullen smullen. Lezers die ook houden van bijvoorbeeld Keverjongen (M.G. Leonard), de serie Costa Banana (Jozua Douglas) en de boeken van David Walliams. Ook heerlijk om voor te lezen in de klas!
Ik ontving het boek van De leukste kinderboeken: het verscheen bij Van Holkema & Warendorf. Bestel het boek hier.
Het eerste kinderboek dat ik las dat over de Corona-crisis gaat! Fel realistisch dus en eigenlijk ook niet iets waar ik nu zin in heb, zo vlak na de persconferentie van 13 oktober waarin wordt aangekondigd dat Nederland weer in gedeeltelijke lockdown gaat.
Toch pakte het boek me snel in, en dat komt vooral door de sympathieke hoofdpersonen: de Surinaamse Elshontely en haar moeder, die al drie weken noodgedwongen thuis zitten vanwege de Corona-maatregelen. Elshontely verveelt zich enorm, want die paar uurtjes school op de laptop per dag zijn nooit genoeg en alle dingen die ze nog moesten doen – kamer opruimen, schoonmaken enz. – zijn al gedaan. Haar moeder naait de hele dag onafgebroken mondkapjes van Elshontely’s oude kleding en bedenkt op een dag iets om de verveling te verdrijven: een hengel.
Met de hengel vangen ze Niets, want zo noemen ze het ‘diertje’ dat ze vangen. Alleen: ze zien het eigenlijk helemaal niet! Is Niets er wel? Vanaf dat moment krijgt het verhaal een vreemde wending: speelt haar moeder het spelletje mee? Elshontely verzorgt Niets met zeer veel liefde. Het eet ook erg veel. En Niets groeit! Het wordt zo groot dat het niet meer in hun kleine huis past!
Het boek leest heerlijk en is geschikt vanaf 8 jaar denk ik. Het is ook leuk om voor te lezen (in de klas) en met kinderen te bespreken wat ze van het verhaal vinden. Het leent zich voor mooie filosofische vragen zoals: als je iets niet ziet, bestaat het dan niet? Kun je gehecht raken aan een onzichtbare vriend?
Het thema van het boek is verbeelding en fantasie. De Corona-crisis is een belangrijk motief: doordat we allemaal thuis komen te zitten wordt onze wereld kleiner. We gaan meer ‘in ons eigen hoofd zitten’. We gaan naar het ‘nieuwe normaal’: maar wat is dat eigenlijk? Bestaat ‘gewoon normaal’ wel?
Kortom: een intrigerend boek. Bijzonder actueel ook, we weten nog niet waar Corona zal eindigen en wat er nog staat te gebeuren. Zeker is dat de kinderen van deze generatie niet om Corona heen kunnen. Er zullen vast meer boeken verschijnen waarin onze nieuwe leefomstandigheden – de 1,5 meter, de hygiëneregels, mondkapjes en regels over groepsgrootte – een rol spelen. Ik moet er een beetje aan wennen, maar ik vind het ook mooi. En de manier waarop Mireille Geus het heeft gedaan is erg bijzonder. Ze heeft een heerlijke schrijfstijl: direct en zonder poespas. De karakters komen echt tot leven.
Ik zou willen zeggen: lees het boek ook, ik ben benieuwd wat je ervan vindt!
Ik ontving het boek als recensie-exemplaar van Lemniscaat.
Een jaar geleden overleed de vader van Pelle. Hij en zijn moeder blijven alleen over. Het lijkt of alles stil is blijven staan: ‘het leven is een zoutloze soep geworden’. Pelle (12 jaar) is echter ook gewoon een tiener en bovendien hoogbegaafd: hij ging op zoek naar manieren om met zijn verdriet om te gaan. Zijn oplossing: als hij tranen voelt opkomen denkt hij aan gedetailleerde feiten, zoals het aantal cellen in je lichaam, de draagkracht van een mier of een zo lang mogelijke reeks priemgetallen. Dat sleept hem erdoorheen.