Vertaling Aleid van Eekelen-Benders, illustraties Angela Harding

“De herinnering aan de dag dat ze vertrok zit geloof ik nog in mijn hoofd maar die herinnering is alsof ik water probeer vast te houden in het kommetje van mijn handen en het voor mijn ogen wegsijpelt. Er zijn flarden van een vrouw die mijn hand vasthoudt en ik voel hoe mijn hele lichaam wordt weggetrokken door het tij van iemand die rent en mijn benen kunnen het niet bijhouden.”
Dit was weer zo’n boek waarin ik wilde blijven. Ik stelde het uitlezen zo lang mogelijk uit. Omdat ik bij Oktober wilde blijven, het meisje dat ik leerde kennen en dat mijn hart binnendrong. Een meisje dat een heftig jaar beleeft waarin ze zichzelf beter leert kennen en haar wereld langzaam groter wordt.
Oktober woont met haar vader in het bos – afgelegen, zelfvoorzienend, ruig en wild – en ze hebben het goed met z’n tweeën. Oktobers moeder vertrok toen ze vier jaar was. Ze heeft het haar nooit vergeven: ze is nog altijd woedend dat zij haar in de steek liet, niet bij hen wilde wonen. Oktober noemt haar niet mama, maar ‘de vrouw die mijn moeder is’.
Elk jaar komt ze op Oktobers verjaardag toch bij hen langs. Ook het jaar dat ze 11 jaar wordt. En ook deze keer wil ze niks van haar moeder weten. Ze rent weg en klimt hoog in een boom. Maar dan slaat het noodlot toe. Haar vader komt haar achterna – en valt uit de boom. Hij breekt zijn rug en moet naar het ziekenhuis. En Oktober? Die is overgeleverd aan haar moeder.
Ze wil niet weg uit het bos, maar het moet wel: ze kan niet voor zichzelf zorgen. Samen gaan ze naar Londen, waar haar moeder woont in een kil, betonnen rijtjeshuis zonder natuur en groen. Oktober is ontheemd, vervreemd, in paniek: ze moet terug, maar het kan niet. Ze schreeuwt naar haar moeder dat ze haar haat.
Ze bezoeken haar vader zo vaak als het kan. Hij is er slecht aan toe. Oktobers moeder krijgt geen contact met haar dochter, ze is onbereikbaar. Toch gaat het leven door en Oktober gaat naar school. Daar verandert alles. Ze ontmoet leeftijdsgenootjes die iets bij haar losmaken. En heel langzaam opent Oktober zich…
De schitterende linodruk op de cover van een enorme kerkuil is niet toevallig gekozen. Oktober vond een uilskuiken dat verlaten was door haar moeder. Ze noemde haar Stig. Als ze naar Londen moet kan Stig niet mee. Ze is immers een wild dier. Oktober is ook wild. Ze denkt dat ze niet kan leven in de stad. De overeenkomst tussen het uilskuiken en de hoofdpersoon is zo mooi gekozen en uitgewerkt. Net als de ruimte die ingenomen wordt door de kracht van het verhalen vertellen. Oktober ziet in elk voorwerp dat ze vindt een verhaal. Samen vormen die verhalen haar ontwikkeling.
En dan de taal, de poëtische taal die danst over de bladzijden. Het verhaal kon niet anders dan door een ik-persoon verteld worden, om in het hoofd van Oktober te komen en met haar mee te leven. En ze vertelt als een kind met haast, in lange zinnen zonder leestekens waarin enthousiasme, maar vaak ook wanhoop doorklinkt. De zinnen worden vaak kleine gedichten zonder dat dat de bedoeling lijkt.
“Ik ben wild en ik zit opgesloten in een kooi en mijn hart doet pijn en ik haat de vrouw die mijn moeder is meer dan alle woorden in al mijn boeken ooit kunnen zeggen en ik voel mijn binnenste zwart worden van woede.”
Ik ben zwaar onder de indruk van dit boek, om de vorm, het thema en de diepe emoties die erin naar voren komen. Over de band van een kind met haar ouders, over hechting, (on)veiligheid en de kracht van taal en verhalen. En het zoeken naar wat er onder de oppervlakte is, letterlijk door in de grond te graven of, aan de oever van de Theems, als modderjutter.
Katya Balen komt uit Londen en won met dit boek onder andere de Yoto Carnegie Medal 2022 (een soort Gouden Griffel). De voortreffelijke Nederlandse vertaling is van Aleid van Eekelen-Benders en de omslag en hoofdstukvignetten van Angela Harding. Verschenen bij uitgeverij Luitingh-Sijthoff. Vanaf 10 jaar.