Ik ben fan van het werk van Simon van der Geest sinds Dissus, de gewaagde vertaling van Odysseus naar het nu, met brutale jongens die de wereld willen veroveren. Daarna wilde ik alles van Van der Geest lezen, en het stelde nooit teleur. Zijn proza is altijd lekker scherp, met goede dialogen en levendige scènes.
Van der Geest kan ook erg goed poëzie schrijven. Hij publiceerde al in diverse bundels, waaronder Dichter. van Plint. Een aantal van die eerder gepubliceerde gedichten zijn nu opgenomen in ‘Plassen op schrikdraad’: een ode aan durven.
Loetje woont met zijn ouders dicht bij het strand. Hij gaat bijna elke dag met zijn vriend Kars op zoek naar mooie dingen die aangespoeld zijn. Zijn ‘jutsels’, zoals hij ze noemt, neemt hij mee naar huis. Het huis ligt vol met mooie spullen. Tenminste, dat vindt hij. Zijn vader vindt het vooral veel troep. Zijn ouders maken veel ruzie, ook over de troep. Als ze uit elkaar gaan, voelt Loetje zich schuldig. Ligt het aan hem?
Loetje wil niet meer jutten, en ook geen verhalen meer verzinnen bij alle spullen die hij vindt. Maar dan ontmoet hij Wiets, die ook een ‘verhalenvisser’ is. Van Wiets leert hij dat hij nooit hoeft te stoppen met fantaseren en verhalen bedenken.
Dit ontroerende en fijne verhaal doet denken aan de verhalen van Wouter Klootwijk: de kinderen spelen veel buiten, genieten van de natuur en van avonturen beleven. Maar er zit een diepere laag in het verhaal over echtscheiding die het meer gewicht geeft. Daardoor wordt het een serieuzer verhaal, maar het houdt ook een zekere luchtigheid. Het is een heerlijk boek om voor te lezen, dat kan al vanaf 7 à 8 jaar. Kinderen die dichtbij of wat verder weg te maken krijgen met ouders die gaan scheiden, kunnen steun ervaren als ze het verhaal lezen.
Illustrator Tineke Meirink kennen we van het schitterende boek Wij zijn even naar de verte. Daarin spelen de fantasiefiguren, gemaakt van gevonden dingen zoals stenen, schelpen, stukjes hout en plastic, de hoofdrol. Ook in dit boek maken Loetje en Wiets deze figuren, ze noemen ze strandschilderijen. Ze vertellen een verhaal, en helpen Loetje om te verwerken wat hij allemaal meemaakt.
Peter Pan kun je niet níet kennen. Het is een klassiek figuur in onze literatuur en inmiddels ook in de filmwereld. Peter Pan zal altijd een kind blijven, hij wordt nooit groot. Daarom woont hij in Nooitland, met zijn vrienden De verloren jongens, die ook gevlucht zijn uit de ‘echte wereld’. Nooitland is eigenlijk meestal rustig, behalve als Peter er is. Dan zijn de piraten op bloed uit, jagen de wilde dieren op de jongens en gebeurt er altijd wat.
Aan het begin van het verhaal luistert Peter Pan aan het raam van de slaapkamer – waar Wendy en haar twee broertjes slapen – naar de verhalen die hun moeder hen vertelt. In Nooitland zijn geen meisjes, Peter Pan wil Wendy er graag mee naartoe nemen. Hij leert haar en haar broertjes vliegen. Zij hebben het land al eerder in hun dromen gezien, het voelt al snel vertrouwd. Ze gaan een avontuur tegemoet dat ze nooit meer zullen vergeten.
Als je dit verhaal leest dat al in 1911 werd opgeschreven door J.M. Barrie (Schotland 1860-1937), voel je dat het voor vele kinderboekenschrijvers na hem een inspiratiebron moet zijn geweest. De oeverloze fantasie van kinderen en het ontbreken daaraan bij volwassenen is een thema dat in veel kinderboeken terugkomt.
Daarom vind ik het leuk om eindelijk deze klassieker eens gelezen te hebben. Wel in de eigentijdse en frisse vertaling van Esther Ottens, en met de weergaloze illustraties van Floor Rieder (daarover later meer). Ottens deed weinig echt ingrijpende aanpassingen, behalve dat de verhouding man-vrouw en de kijk op de oorspronkelijke bewoners van Noord-Amerika minder stereotiep werden neergezet.
Daardoor is het verhaal best wel pittig voor een kinderboek, tegenwoordig zouden we woorden als embonpoint (gezet, dikbuikig), perfide (verraderlijk) en verschansing (verdedigingswerk) niet tegenkomen in jeugdboeken. In deze vertaling zijn ze blijven staan en ik struikelde er wel over (en had echt nog nooit van embonpoint gehoord!). Achterin het boek staat wel een woordenlijst, maar er wordt niet naar verwezen in de tekst (een sterretje en verwijzing naar de paginanummers waar de lijst staat was genoeg geweest).
Verder zijn de aanwezigheid van de alwetende verteller, de vele uitdrukkingen (de schellen vallen van de ogen, de eeuwige jachtvelden, over de kling jagen) en soms ingewikkelde tijdsprongen complicerende factoren die het lezen niet vergemakkelijken. Daar staat dan wel weer tegenover dat het verhaal toch zo boeiend is dat je dóór wilt lezen: het is erg spannend en vaak ook gruwelijk.
De illustraties van Floor Rieder zijn echt adembenemend. De keuze voor slechts 4 kleuren (en af en toe roze en rood), zwart, wit, blauw en felgroen, is spot on. Meer heeft het niet nodig. Wat een toffe stijl heeft Rieder, stoer en tegelijk sprookjesachtig.
Ik ben blij dat ik het gelezen heb en hoop dat veel lezers het klassieke verhaal zullen oppakken. Ik denk dat het voor kinderen van minimaal 9 à 10 jaar geschikt is, en dan vooral ook voor kinderen die zich niet laten tegenhouden door de dikte van het boek en het best wel complexe taalgebruik. Het is zeker geschikt als voorleesboek, omdat je dan moeilijke woorden en tijdsprongen kunt uitleggen.
Op de cover staat een vertrouwd gebouw: Het Woldhuis bij Apeldoorn. Ik ben er twee keer geweest: om onze dochter van destijds 9 jaar (10 jaar geleden) naar een natuurkamp te brengen en weer op te halen. Het was haar eerste kamp en ze zat vol verhalen in de auto terug naar huis: ze had zoveel geweldige dingen meegemaakt! Gezwommen, hutten gebouwd, dieren gezien en de bonte avond natuurlijk! In het boek Hotel de Spartaan is Het Woldhuis ook het decor. Maar daar is géén leuk kinderkamp gaande, integendeel. Het is het allerergste kamp dat je je voor kunt stellen.
Ben je nog op zoek naar een perfect voorleesboek voor jouw groep 4/5? Zoek dan niet langer, want ik heb het voor je gevonden! Das Droog is een detective die Beesten in Buitengewone Situaties (BIBS) helpt. In dit hilarische, avontuurlijke verhaal met veel vaart zullen jij als voorlezer en je luisteraar(s) smullen van de prachtige tekeningen, komische taalgrappen en spannende plotwendingen.
Als je de boeken van Kate DiCamillo kent, weet je dat haar stijl onmiskenbaar is. Ze schrijft over gewone kinderen die buitengewone dingen meemaken, maar ook over poppen die tot leven komen. Dat doet ze met een enorme portie humor en veel beeldende taal, doorspekt met veel uitdagende woorden. Haar liefde voor taal en de binnenwereld van het kind is overduidelijk. Wat mij betreft is Ferris, het laatste boek dat nu in het Nederlands is verschenen bij Querido, een staalkaart van haar kunnen.
Wat een wonderbaarlijk verhaal! Aelin, het verhaal over een meisje dat zich een Alien voelt (kijk maar naar haar naam) en die op zoek gaat naar waar ze vandaan komt. Een verhaal over liefde voor taal, identiteit, familie en vriendschap.
“Verbeelding is leuk, maar de werkelijkheid kan soms net zo spannend zijn” zegt Astrid Sy in haar nawoord van haar nieuwste boek: De glazenwasser van het Rijksmuseum. Een boek dat leest als een whodunnit, een avonturenverhaal, een geschiedenisles én een escape room. Geschreven ter gelegenheid van het 750-jarig bestaan van Amsterdam en verschenen bij Luitingh-Sijthoff.
Stel je voor dat je eigenlijk een prinses bent, maar dat niemand je dat ooit verteld heeft. En als je dan ook nog ontdekt dat je oma je echte oma niet is, dan val je toch helemaal van je stoel? Het overkomt Pim allemaal, en toch gaat ze niet bij de pakken neer zitten. Gelukkig maar, anders zou dit nieuwe boek van Cees van den Berg heel saai geworden zijn. Nee, Pim is een meisje dat niet op haar kop laat zitten. Ze moet en zal uitvinden wie ze is en hoe ze kan ontsnappen uit de meest troosteloze plek ter wereld: internaat Bergdwaal, waar mevrouw Bottenbley (ook wel Bottebijl genoemd, dan weet je wel wat voor type het is) de scepter zwaait. Pim is daar doodongelukkig, niet in de laatste plaats omdat haar oma dood is en ze er nu helemaal alleen voor staat. Maar zoals gezegd: Pim is een dapper meisje dat nooit opgeeft. Ze wil weten wie haar familie is en komt op wonderlijke wijze in contact met Valetta King, de stoerste privédetective ooit.
Pim en Valetta, wat een duo! Cees van den Berg is een begenadigd schrijver die het tempo er tijdens het schrijven goed in heeft. Er gebeurt veel in het verhaal en er worden vaak tijdsprongen gemaakt. Lekker, die vaart erin!
We maken kennis met de andere spelers op het toneel van deze vertelling: de koning en de koningin, de vreselijke zus van de koning en haar man de minister, maar ook de meisjes in het internaat. En hondje Nike natuurlijk. ‘Toneel’ vind ik wel passend hier, want het verhaal doet wat mij betreft aan als een spannend theaterstuk met wisselende decors en uitvergrote karakters. Een blijspel, want er valt ondanks de tragiek vooral ook veel te lachen. De mooie illustraties van Monique Dozy maken dat beeld compleet: ze zijn sfeervol en ze maakte van de slechteriken ook echte karikaturen.
Van den Berg heeft heerlijke droge humor. Hij verwerkt kleine grapjes in de dialogen die je laten gniffelen. Tegen een man die Wally heet:
‘We hoeven je in ieder geval niet meer te zoeken. Je bent gewoon hier.’
Kortom, weer een fijn boek van Cees van den Berg. Ik vond het wel weer anders dan zijn vorige boeken waarin muziek vaak een grote rol speelde en niet met dezelfde heerlijke overdrijvingen gespeeld werd als in dit boek. Maar in elk boek stopt hij vooral veel humor en sympathieke hoofdpersonages. Ik raad al zijn boeken aan voor lezers van 10 jaar en ouder. En dit boek speciaal voor leerkrachten in groep die nog een leuk verhaal zoeken om uit te spelen in een musical of opvoering. Succes gegarandeerd!